De D o c h t e r s tekst & Redactie

dedochtersfoto: Ron Moes fotograaf, Nijmegen

SEKS, GEWELD EN IDENTITEIT IN DE KUNST door Henk Oosterling, filosoof (Hoofddocent Faculteit Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit, directeur van het Centrum voor Filosofie & Kunst)

( ... ) Ik zal me beperken tot een aantal losse waarnemingen waarin enig licht geworpen wordt op de dodelijke mengeling van seks, geweld en identiteit. De verbeelding van de relatie tussen seks en geweld kent een lange geschiedenis. Ze is net zo oud als 'de weg naar Kralingen': zodra cultuur als bedwongen natuur verschijnt is het een issue. De verbeelding van gewelddadige seks heeft - in ieder geval in retrospectief - voor moderne ogen altijd iets ritueels. Eenmaal ontdaan van zijn sacrale beschermlaag, krijgt het iets subversiefs, omdat het iets over de identiteit van individuen gaat zeggen. Het stilzwijgen rond de pijnlijke alledaagsheid van de seks doorbreken vindt voor het eind van de 19e eeuw slechts plaats in biechtstoelen, peeskamers en inquisitieruimtes. Wanneer de artistieke verbeelding zich er tegenaan gaat bemoeien wordt dat aanvankelijk niet in dank afgenomen.
Moderne kunst eist het exclusieve recht op de alledaagsheid van prikkeldaden zelfreflectief te ontsluiten: de kijker wordt er via doek of boek voor het eerst in betrokken.
Bij Goya's nichtje Maya, die hij gekleed en naakt schilderde om haar vervolgens middels een ingenieus mechaniek in haar volle glorie aan zijn vrienden te tonen, heeft het doek nog een pornografisch peepkarakter. Courbets Oorsprong van de wereld is door de detailleske inzooming ronduit pornografisch, maar toch nog eenzijdig pieperig. Bij Manets Olympia, de Parijse hoer met haar zwarte bediende en kat, wordt de hypocrisie echter ongefilterd in het gelaat van de burgerlijke hoerloper gespoten. Deze uitgesproken provocatie start een lange reeks verontrustende verbeeldingen waaraan het surrealisme zijn impact dankt.
Na de Tweede Wereldoorlog barst de bom. Yves Klein gaat met lichamen schilderen, de Wiener Aktionisten overgieten ingehuurde acteurs onder het kruis met bloed van van te voren geslachte schapen. Abramovic & Ulay en Lydia Schouten, (video en performance pionier in Nederland begin jaren tachtig. CG) werpen hun eigen lichaam in de strijd. Tot in de jaren negentig zet deze verontrustende verbeelding door in de schilderkunst en fotografie, als bijlage bij dit artikel vertegenwoordigd door Andres Serrano's pisfoto's en Ronald Ophuis'- overigens op een van Serrano's foto's geënte- ogenschijnlijk anamorfotisch vallende masturberende jongeling. Ophuis presteert het telkens weer om met zijn intrigerende beelden een rel te veroorzaken. We wachten nu op zijn kindsoldaten uit Afrika. De verbeelding van seks is vooral een artistieke prikkeldraad. Met en door die beelden is in het laatste decennium van de 20e eeuw menig cultuurconsument geshockeerd afgedropen. Nogmaals, niet omdat er iets nieuws wordt getoond -het gebeurt dagelijks misschien bij hem of haar thuis- maar omdat het ongegeneerd wordt geëxposeerd. Letterlijk aan dit machtswellustige geweld blootgesteld, wordt de kijker gedwongen er het zijne of hare van te denken.

Seks heeft alles met onze moderne identiteit te maken. Als je seksueel niet goed in je vel zit, wordt dat toch ervaren als een structureel weeffoutje. Je functioneert niet normaal. Foucault heeft echter laten zien dat seksualiteit niet bestaat. Het is louter discours: we praten er graag en veel over en interpreteren onze gedragingen, geheime wensen en gedachten in seksuele termen. Als het er op aankomt, vertrouwen we deze alleen aan onze intieme vrienden toe. Of aan een psychiater. We verontschuldigen ons in deze termen voor onze kromme lustbeleving. Of we echt zo in elkaar zitten, is nog maar de vraag. Volgens Foucault is seks een typisch modern verschijnsel. Freud, Foucaults doelwit, maakt van het lustvolle lichaam een wreed antiek theater met Oedipus als tragische held: Oedipus steekt zich de ogen uit als hij inziet dat hij zijn vader heeft vermoord en zonder dit te beseffen bij zijn moeder kinderen heeft verwekt.

Freud meent dat we van jongs af aan zo met onze lichamelijke lust om moeten leren gaan dat we er geen trauma's aan overhouden. Het is niet makkelijk, al was het alleen maar omdat anderen daarvoor verantwoordelijk zijn voordat jij dat zelf bent. Identiteit is een effect, geen oorzaak. Die afgedwongen omgang komt grotendeels neer op gereguleerde af- en ontsluitingen van onze lichaamsopeningen. Vanuit een polymorf perverse begintoestand waarin de baby om directe bevrediging schreeuwt als een gat niet gevuld of geleegd wordt, wordt eerst de mond (oraal) gereguleerd (gespeend worden), daarna de kont (anaal) aan regels gebonden (zindelijk gemaakt) en de geslachtsdelen (genitaal) naar gender gedifferentieerd. Ten slotte ontvouwt zich idealiter een gezond seksleven dat zich centreert rond de symbolische penis, de fallus. Dit fallocentrische verlangen is primair heteroseksueel, gebonden aan huwelijkse voorwaarden en gericht op het voortbrengen van even gezond nageslacht. De vrouwelijke seks is bij Freud altijd gemankeerd - penisnijd versus castratieangst - en alles wat niet heteroseksueel verlangt, heet pervers en is afwijkend. Bij Freud schuiven seks, geweld en identiteit naadloos in elkaar. Maar volgens Foucault gaat het bij Freud op de keper beschouwd over energetische lichamen die hun lusten proberen te beheren. De manier waarop dit gebeurt is typisch modern. Ik zou Freuds inzet nog basaler en fysieker willen duiden. In Freuds psychoanalytische discours gaat het maar om één ding: gatenmanagement.

Zijn mannen daarin echt anders dan vrouwen? Ik vind de gemankeerde opvatting van Freud te ver gaan, maar een fundamenteel onderscheid tussen Mars en Venus is me ook te simplistisch. Toch is er iets voor te zeggen dat mannen in hun lustbeleving veel afstandelijker zijn dan vrouwen. Mannen willen vooral kijken - of bekeken worden- terwijl vrouwen verkennend voelen. Mannen penetreren, vrouwen ontplooien. Mannen zijn gefixeerd op gaten, vrouwen op huidporiën. Stel dat mannen gatenmanagement bedrijven, waar gaat het dan bij vrouwen om? Is de huid misschien een uitgestulpte ziel? Maar dan is de huid - overigens, ons grootste zintuig - een soort poreuze ziel? Kan gatenmanagement 1:1 op de ontplooiing van poreuze zielen aansluiten?

Toegegeven, het is wat simplistisch, maar toch. De verbeelding lijkt zich er naar te voegen. Wat ook duidelijk is, is dat wat ik een Deleuziaans aspect noem: het stromen van lichaamssappen. Zo bezien is alles minder verontrustend dan 40 jaar geleden. Ook al blijft een verzameling van dit soort beelden in een galerie voor sommige christenkinderen een ongemakkelijke aangelegenheid, het is op de keper beschouwd een contemplatieve oase in een libidineuze oceaan waarin de buitenzinnige beelden over elkaar heen buitelen.

Na de jaren zeventig is de inbedding van de artistieke verbeelding over seks, geweld en identiteit heel veel veranderd. De homogene seksuele identiteit is ontploft en gefragmenteerd. Technologie stelt ons in staat op vele andere manieren kennis te nemen van de wrange relatie tussen seks en geweld. Anders gezegd, onze menselijke toestand, onze human condition is behoorlijk gepornologiseerd. We leven inmiddels in een door en door gepornologiseerde beeldcultuur. Ons verlangen wordt voortdurend geprikkeld. Dat is de grondwet van de economie. Onze economie is een grote verlangensmachine, zouden Deleuze & Guattari zeggen. Maar kunst beweegt zich op subtiele lagen van ons verlangen en lust. De u omringende beelden beroeren u eerst onbewust. Voordat uw geest er mee aan de haal gaat en u zich allerlei ideeën in uw hoofd haalt, wordt eerst uw lichaam er door beroerd. Een enkeling wordt er wellicht fysiek beroerd van. Niet verontrust dus, maar beroerd. Alles is esthetisch en te verfijnd. Maar voordat de beelden u verleiden, sensibiliseert het artistieke materiaal uw zintuigen: de beelden prikkelen allereerst door de materiële inwerking van de verf, wasco, pastel, grafiet, potlood, het uitgefilterde licht van de gladde foto of de driedimensionaliteit van wat ooit mixed media heette. Al die artistieke 'media ' sensibiliseren louter materieel ons lichamen.

De galerie als verlangensmachine is een binnensfeer - sfeer of sphairos is Grieks voor 'bal'- en de beelden waar u naar kijkt zijn vensters die het zicht op de volgende sfeer openen. Laat ik dit met die visie van Aristoteles op de structuur van de kosmos toelichten. Ooit beschreef Aristoteles het universum als een reeks om elkaar heen draaiende bollen met de aarde als rustend middelpunt, vergelijkbaar met de Russische Babushkapoppetjes. De sterren die wij 's nachts zien zijn volgens hem geen gloeiende bollen materie, maar gaten waardoor het licht van de eromheen liggend sfeer naar binnen schijnt. Hier krijgt het gatenmanagement een kosmische dimensie, waar overigens de theorie van de zwarte gaten naadloos op aansluit. Die om elkaar heen draaiende bollen creëren trillingen die de sferische harmonieën toonzetten. Die tonen stemmen proportioneel overeen met de afstanden op een gitaarsnaar - een cythersnaar in dit geval - en die verhouden zich weer wiskundig met elkaar. Zo klopt in het heelal dus alles als een bus.
De galerie als verlangensmachine. Kijkend naar de aan de muur hangende beelden staan we in de binnenste sfeer. De volgende sfeer licht op in de beelden. De betekenis van de beelden ligt dus niet in de binnenwereld van de kunstenaar - achterhaalde 19e eeuwse productie-esthetiek - evenmin verwijzen ze naar een fysieke wereld erbuiten - nog meer gedateerde mimetische of nabootsingesthetiek. Het beeld wordt inzichtelijk door het netwerk van associaties met al bestaande beelden die in de wijdere sferen eromheen circuleren. De beelden zijn flinterdun en poreus-osmotisch. Het zijn net geen gaten, maar semiotische filters. In ieder beeld lichten zo honderden andere beelden op. Kunsthistorici noemen dat doorgaans iconografie, kunsttheoretici verwijzen naar de semiotiek. Maar daaraan voeg ik de sferische inbedding toe. De tweede bol die de galerie omvat, is de publieke sfeer met zijn immense billboards en flatscreens. Daarop adverteert Sappho zijn dameslingerie op gefotoshopte dames en laten automerkenstoere mannen op kruishoogte champagneflessen openknallen. Maar de beelden verwijzen ook naar pornologisch getinte TV programma's en seksueel getormenteerd individuen die op zoek zijn - al dan niet via DNA analyse - naar hun echte identiteit. Niet alleen Erwin Olafs beelden verwijzen naar nieuwsfeiten - seriemoordenaars, seksmoorden, Japanse bondage.

Die tweede publieke sfeer ligt weer ingebed in wat ik de digitale infosfeer noem: het Internet met zijn magmatische beelden. Daarin ontvouwt zich een carnavaleske pornoscape met al die You tube extremiteiten die tot ieders beschikking staat, voor ieder wat wils heeft, op ieder moment overal te downloaden. Dat was nog eens wat anders in de jaren twintig of de jaren vijftig toen alles nog onder de toonbank vandaan moest komen. In die werveling van beelden, in dit digitale magma van seks en geweld zoeken lichamen, oververhit en overprikkeld, naarstig naar ontlading, desnoods met geweld. In deze tripartaire sferologie vormt de galerie een oase van rust en contemplatie, een zee van stilte waarin de eens zo explosieve mix van seks, geweld en identiteit een zelfreflectieve kwaliteit krijgt. Niets verontrust meer, niets windt meer op. En dat is ook absoluut niet de bedoeling. Deze verlangensmachine brengt ons pornologisch beeldbewustzijn in een oogopslag in een metastand. Daarin komt de alledaagse brute mix van seks en geweld nooit in beeld. Die ontstijgt, juist door zijn alledaagse directheid, ieder verbeelding. De werkelijkheid is altijd inventiever dan de fictie.

Over het boek Prikkeldraad, van treurnis, afkeer en ongemak:

Sluiten deze beelden aan op het boek Prikkkeldraad? Heel soms wordt er in sommige verhalen wat over kunst gezegd. Er hangen bijvoorbeeld bondage foto's van Erwin Olaf aan een muur of iemand heeft het over Duitse neo-expressionisten en Wiener Aktionisten. Deze verwijzingen zijn principieel oppervlakkig omdat beelden en woorden nu eenmaal fundamenteel anders op lichamen inwerken. Beelden penetreren ons bewustzijn momentaan - je ziet het in een klap - terwijl woorden zich in de tijd ontplooien. Je zou daarom geneigd zijn te concluderen dat beelden mannelijk zijn en woorden vrouwelijk.

Het gaat niet om plaatjes bij een praatje. Evenmin als beelden vullen praatjes gaatjes. We schuiven de onderwerpen in elkaar. Het boek is een compilatie van losse essays waarin de wrangheid van met overmacht en geweld gepaarde seks vanuit het perspectief van daders, slachtoffers of andere betrokkenen wordt beschreven. Het gaat over incest, pedofilie, verkrachting, passionele moorden, tienermoeders, hoertjes, hoerenlopers, een potentieel pubers bepotelende pater, zaaddonatie en slopende ziektes, zelfs orgastische kunstenaarsparty's passeren de revue. En dat alles in verschillende tonaliteiten: hetero, homo, lesbo, trans en, in een speelse wending, zelfs wat zoofiele varianten.

Liefde ontbreekt. Alles draait om getraumatiseerde lichamen met hun onbeheer(s)bare lusten. Vooral van mannen, maar soms ook van vrouwen, maar die zijn toch eigenlijk altijd het slachtoffer. De dood ligt altijd op de loer. Dat is nu eenmaal de limiet van deze explosieve mix, zoals Georges Bataille literair heeft gedocumenteerd. Het gaat ook over echte gebeurtenissen waarnaar dan ook expliciet word verwezen, een soort docu-fictie.
Maar het overgrote deel van deze beelden biedt fantasierijke opsmuk van de even dodelijk saaie, als gewelddadige alledaagsheid van 's menschens liefdeloze seksleven waarin machteloosheid met machtswellust wordt overgecompenseerd. Het biedt een ontluisterend inzicht in onze menselijke, al te menselijke conditio sexualis. Het boek leest wel als een trein. Het zou te ver voeren om daar nu op in te gaan. Spannender is het zelf te lezen.

Maar een ding wil ik er tot slot over kwijt. Mijn lichtelijk provocatieve stelling dat vrouwen nabijheid en mannen distantie zoeken wordt misschien toch wel indirect gestaafd door dit boek. Ik raad u aan eens na te gaan welke verhalen vanuit de eerste persoon zijn geschreven en welke vanuit de derde persoon. Op een docu-fictioneel verhaal na hanteren de vrouwelijke auteurs allemaal de ik-vorm. De mannen gaan onverkort voor de hij-vorm.

Wordt hier nu het langdradige leven vol onvervulde seksuele prikkels inlevend in beeld gebracht? Zeker. Maar slechts als onder een beschermende paraplu. Aan de lezing houd ik het zelfde gevoel over als aan het bekijken van de schilderijen. Het gaat weliswaar over de nietsontziende rauwheid van verscheurde seks, maar het blijven toch kleine mooie verhalen die helend werken, net als de beelden die ons in de metastand verheffen. Net zo min als de artistieke verbeelding deze werkeleijkheid ook maar benadert, komt in dit boek de menselijke, al te menselijke machtswellust per definitie niet in beeld.
Want uiteindelijk is de liefdeloze compensatie van menselijk tekort met geen pen te beschrijven.

Deze voordracht vond plaats ter gelegenheid van de presentatie van het boek Prikkeldraad en bij de opening van de gelijknamige tentoonstelling.